Een volledige week lang heb ik zijn komst voorbereid. De logeerkamer, die bij gebrek aan logees een hobbykamer geworden was, heb ik volledig opgeruimd. Omdat ik wist dat Filip literatuur gestudeerd had, dacht ik dat hij een uitgebreide boekenverzameling zou appreciëren. Ik haalde alle boeken uit het rek, blies het laagje stof van de bovenzijde en plaatste ze alfabetisch terug, om ze daarna opnieuw uit te halen en in verschillende stapeltjes te sorteren. Wetenschappelijke werken mochten blijven, de stationsromannetjes en thrillers moesten naar mijn eigen kamer verhuizen, waar ik ze verborg tussen oude, witte onderhemdjes. De encyclopedieën, een erfenis van mijn moeder die ik onderaan in een rommelige kast opgeborgen had, haalde ik nu tevoorschijn om ze een prominente plaats te geven. Omdat de kast hierna verdacht leeg was, kocht ik in een tweedehands boekenwinkel wat boeken van Jean-Paul Sartre, Orhan Pamuk, Gabriel Garcia Marquez en een dichtbundel van Yeats. Ik kende die werken niet, maar aangezien hun auteurs een Nobelprijs gewonnen hadden, vermoedde ik dat Filip ze wel zou waarderen. Quasinonchalant plaatste ik ze tussen de overige titels. Na de boekenkast ruimde ik ook de overige rekken op. In de kamer van Filip mocht geen rommel rondslingeren. De reservekledij, de reisgidsen, de fotoalbums, het sportgerief, alles stopte ik in aparte dozen, die ik in mijn slaapkamer plaatste. Op die manier zou hij voldoende ruimte hebben om zijn persoonlijke spullen en zijn lijvige cursussen uit te stallen. De kamer kreeg een uitgebreide poetsbeurt, het gebloemde dekbedovertrek haalde ik weg en verving ik door een smaakvol nachtblauw exemplaar. Ook kocht ik een beige hoeslaken en een bijpassend kussen dat ik aan het voeteinde legde. De ingekaderde foto’s haalde ik van de muur. Een voor een.
Na de logeerkamer nam ik de rest van het huis onder handen. Ik poetste, ruimde de keuken op, probeerde een zekere logica aan te brengen in de gestapelde potten en pannen. Ik schrobde de oprit en het stukje stoep voor onze deur, schrobde ook het terras en verwijderde de kleine plantjes die tussen de voegen groeiden. Dat was mijn manier om hem te laten weten dat hij welkom was, dat ik geen enkele moeite ontzien had om het hem naar zijn zin te maken, dat ik, ook zonder Jean, in staat was om iemand te verwelkomen, om eten te maken, om te zorgen.
“Jij en Filip zullen het goed met elkaar kunnen vinden,” had Jean gezegd voor hij vertrok. “Maak je geen zorgen.” Ik had geglimlacht en beloofd een goede gastvrouw te zijn. Op mijn tenen staand had ik over Jeans grijzende krullen gewreven. “Maak jij je maar geen zorgen over mijn zorgen,” had ik gezegd. Een kus. En toen was hij vertrokken. En toen begon ik schoon te maken.
Filip is pas vrijdagavond aangekomen. Telefonisch was er afgesproken dat hij er tegen de middag zou zijn. Ik had gekookt voor ons. Omdat ik niet wist wat Filip graag at, had ik verschillende gerechtjes voorzien. Er was kabeljauw met fijne groentjes en er was eend met honingsaus en tijm. Toen de maaltijd klaar was, dekte ik mijn kookpotten af en ging in de sofa wachten. Ik had door een tijdschrift gebladerd, de breipatronen bekeken. Bedacht dat dit boekje specifiek gericht was op vrouwen van middelbare leeftijd en daarom niet paste in het huis waar Filip zou komen logeren. Bij het oud papier had ik het gegooid, onder een stapel kranten. Daarna had ik de televisie opgezet, naar de nieuwsuitzending van dertien uur gekeken en het toestel weer gedoofd. Had dan de radio ingeschakeld, aan de afstelknop gedraaid tot ik een zender met klassieke muziek vond en met het volume gespeeld tot de muziek tot zijn recht kwam zonder overheersend te worden. Daarna ging ik weer in de sofa wachten. Om veertien uur heb ik gegeten, alleen. In de namiddag wou ik gaan wandelen, maar omdat ik bang was dat Filip net dan zou aankomen, bleef ik zitten. Zelfs de tuin durfde ik niet in te gaan, uit angst dat ik de deurbel niet zou horen.
Maar Filip is pas vrijdagavond aangekomen. Onderweg had hij snel iets besteld bij het Thaise restaurant. Ik had geen eten moeten voorzien, zei hij. En dat hij moe was, voegde hij eraan toe. Dat hij lang zou slapen, ook morgen geen eten hoefde en dat hij ’s avonds wat zou gaan drinken in ’t Delirium.

Op de vierde dag kwam Filip plots de keuken binnen terwijl ik de groentjes voor de ratatouille aan het snijden was. Zonder enige aanleiding of groet vroeg hij me wat voor werk ik eigenlijk deed. Door de manier waarop hij me aankeek, gedesinteresseerd, met die groene, licht uitpuilende ogen van hem, wist ik dat Jean hem dat reeds verteld had. Waarom Filip de vraag dan alsnog stelde, is me een raadsel. Niet uit beleefdheid. En zeker niet vanuit een zekere behoefte tot communicatie. Maar dat hij het bewust deed, dat weet ik wel. Hij geeft me zo’n ongemakkelijk gevoel als hij me zulke vragen stelt, alsof hij me met mezelf wil confronteren, alsof hij daarmee wil zeggen dat hij dwars door me heen kijkt. Ik antwoordde neutraal en vertelde hem dat ik bij een redactie werkte. Dat ik instond voor het regionaal nieuws en daarvoor naar de opening van de controversiële seksshop moest, of dat ik de opdracht gekregen had de diaken te interviewen over het boek dat hij geschreven had en dat ik uit de hand gelopen burenruzies becommentarieerde, dat hoefde hij niet te weten. Hij stond daar en zei niets, met zijn armen gekruist, op zijn linkerbeen steunend, zoals hij altijd doet. Met zijn vier vingers streek hij langzaam een donkere krul van zijn voorhoofd weg. “Hou je van je werk?” Nu keek hij naast me, niet naar me. “Natuurlijk,” zei ik, terwijl ik de opwellende tranen uit mijn prikkende ogen wreef en de uien verder klein kapte. “Het is heel gevarieerd. Ik mag dikwijls ter plaatse gaan, ik mag mensen opbellen om hun verhalen te horen. Ik mag schrijven.” Hij knikte, eenmaal, kort. Blijkbaar was dit voor hem het teken dat het gesprek ten einde was, want hij wandelde hierna weg.
Tijdens het middageten zei hij me dat de ratatouille lekker was, waarna hij begon te vertellen over de verschillende ratatouilles die hij in het buitenland gegeten had. In Italië werd de ratatouille koud geserveerd, wat hem niet bevallen had, in de Provence was ze perfect gekruid, maar in Dubrovnik had hij de lekkerste versie gegeten, net iets pikanter. Zijn doordringende blik bleef op mij gevestigd. “Reis jij graag, Arianne?” Zijn mondhoeken vertrokken in iets wat een glimlach moest voorstellen. Ik dacht aan de reizen die ik jaren geleden gemaakt had, voor ik Jean had leren kennen. Naar Peru, Cambodja, Sri Lanka, Zuid-Afrika. Maar nooit met Jean. Jean reist niet graag, hij heeft genoeg aan de vier muren van het huis, zelfs aan de vier muren van de slaapkamer – als daar een televisie zou staan. En net hij moet zes weken naar New York voor zijn werk. En net nu.

Op de achtste dag lag de logeerkamer die nu de kamer van Filip geworden is, er nog precies zo bij zoals ik ze voor hem voorbereid had. Hij had niets uitgepakt. Enkel zijn pyjama lag geplooid op zijn hoofdkussen. In het midden, op het tapijt, lag zijn koffer. Ik wou hem openen, wou zijn cursussen vastnemen en eens doorbladeren. Ik wou meer over hem te weten komen om gemakkelijker een gesprek te kunnen aanknopen. Ik wou dat hij me intelligent vond, dat hij ook met mij over zijn studies zou willen praten. De koffer bleek gesloten te zijn. Op het bureau stond zijn laptop, ook beveiligd met een code.
Filip is niet vaak thuis. Ondertussen had ik begrepen dat zijn doctoraatsonderzoek er bijna op zat – iets over de capaciteiten van lezers om verhalen te interpreteren of zo, hij wou tegenover mij niet in detail treden – en dat hij momenteel veel vrije tijd had. ’s Middags gaat hij wandelen, waarbij hij uren wegblijft en ’s avonds gaat hij al vroeg naar zijn kamer. Dan hoor ik hem rommelen in zijn koffer – niet in de boekenkast die ik voor hem rangschikte, nooit in de boekenkast.

Op de elfde dag kwam Filip naar beneden met een olijfkleurig hemd aan, dat hem als een tweede huid om het lijf zat. De stof rafelde aan de randjes, de naden kwamen los. De knoopjes waren donkerbruin en ongelijk. Sommige ervan waren nauwgezet opnieuw aangenaaid. In de kleine, gelijkmatige steken herkende ik Filips precisie. Ik vroeg hem waar hij het hemd vandaan had. Armenië, vertelde hij. Het mooiste land dat hij al bezocht had. “De rust die je daar in de bergkloosters vindt, is fantastisch. Ik zou er graag nog eens heen gaan.” Bij die woorden had hij opnieuw in mijn ogen gekeken.
Die middag haal ik de oude fotoboeken uit de dozen die in onze slaapkamer opgestapeld zijn. Ik leg een aantal albums op bed. Er kleven stickers op, met de inhoud en het jaartal. Cambodja 2003. Rijstbouw en marktjes, tempels die overwoekerd zijn door brede takken, een wagen met laadbak waarin een onvoorstelbaar aantal mensen plaatsgenomen heeft, de monniken met oranje omslagdoeken in de buurt van Angkor Wat. Ik laat het spinnenweb-papier over mijn vingers glijden, sluit het album en mijn ogen. In 2003 was ik net dertig geworden.

Twee uur later bel ik Filip op. Ik wil hem vragen wat hij die avond wil eten, hem zeggen dat ik zin heb om uitgebreid te koken. Het duurt een tijdje vooraleer hij opneemt met een zachte “Dag Arianne”. Ik druk de hoorn harder tegen mijn oor. Ik hoor hoe de wind in zijn gsm blaast, stel me voor hoe hij zijn krullen op die gecontroleerde manier uit zijn gezicht houdt. Er zijn geen auto’s te horen op de achtergrond. Wel een ritmisch geklop dat ik niet meteen kan thuisbrengen. Filip zegt dat hij zin heeft in paprika. Of hij misschien graag iets buitenlands wil eten? Dat zou toepasselijk zijn. “Chili con carne,” zegt hij dan. Plots hoor ik een snuivend geluid op de achtergrond. En dan Filips fluisterende stem, niet voor mij bestemd. Ik houd mijn adem in. Het gesnuif wordt luider. En dan gehinnik. Filip hangt op. Ik moet inkopen doen. Paprika kopen. De manege ligt niet ver van de supermarkt.

In de verte zie ik Filip. Hij heeft enkel oog voor de donkerbruine merrie die aan zijn zijde staat. Hij klopt zachtjes op haar hals, lijkt woorden te fluisteren in haar oor. Zij heeft een dunne bles en witte sokjes. Hij heeft nog steeds zijn olijfkleurig hemd aan. Zij trappelt ongeduldig. Hij kijkt haar indringend aan. Zoals hij ook naar mij kijkt. Hij kalmeert haar. Hij kalmeert mij. Charmant en jong is hij. Hij lijkt op Jean. Zijn krullen en zijn groene ogen heeft hij van hem geërfd. Ook zijn rustige houding. De houding waarop ik twee jaar geleden verliefd geworden ben. Maar Filip is wijzer. Filip heeft nu al meer levenservaring. Hij bestijgt ondertussen de ongezadelde merrie, die nu rustig staat. Hij buigt zich voorover, omhelst de ranke hals en laat de merrie stapvoets wandelen. Hij controleert haar.

Om tien voor zeven dek ik de tafel in de keuken. Filip komt meestal stipt om zeven uur thuis. De dampende pot chili con carne staat nog op het vuur. De geur van tijm en laurier vult de kamer. Aan de muur hangt een ingelijste zwart-witfoto van Jean en mij. Een meter breed en zeventig centimeter hoog. De ik op de foto kijkt naar Jean, Jean kijkt recht naar de ik in de keuken. Om zeven voor zeven besluit ik dat het mooie servies beter bij deze gelegenheid zou passen en dat we beter in de woonkamer zouden eten. Ik haal de ovaalvormige borden en de kristallen glazen uit en controleer of er geen stof op ligt. Het zilveren servies heb ik twee weken geleden al opgeblonken. De vaas met lavendelkleurige tulpen verplaats ik van de dressoir naar de eettafel. Daarnaast leg ik de envelop. Ik ontkurk alvast een fles Turkse rode wijn (Armeense wijn was niet te vinden). Ik plooi de servetjes. En wacht. Ik denk aan de eerste dag waarop Filip hier aankwam. Aan zijn blik toen hij mij voor het eerst zag. Waardoor ik meteen wist hoe hij neerkeek op mijn huiselijkheid. Ik denk terug aan de moeizame gesprekken op de derde dag. Toen ik hem, een tikkeltje moederlijk, tijdens de lunch ondervraagd had over zijn liefdesleven. Had hij misschien een vriendin in het buitenland? Filip nam een grote hap van zijn pistolet. “Liefde,” zei hij met volle mond, “liefde bestaat niet.” Hij kauwde vluchtig en slikte. “Een mooie illusie is het, voor mensen die te zwak zijn om alleen te blijven. De enige realiteit is passie. Maar dat gaat voorbij.” Na de maaltijd schreef ik die woorden op in mijn notitieboekje. Het onderwerp reizen, dat had iets losgemaakt in Filip. En hij was er zelf over begonnen. Nog eenmaal controleer ik de inhoud van de envelop. Dan hoor ik de achterdeur opengaan. Ik zie mijn weerspiegeling in de sierschouw, strijk langzaam met mijn vier vingers over mijn froufrou. Filip ziet er een beetje bezweet uit. Zijn hemd kleeft aan zijn magere ribben. Hij heeft zich gehaast. “Zin in een glaasje rode wijn?” vraag ik hem. “Het is Turkse wijn. Ik dacht dat je dat wel zou appreciëren. Eigenlijk zocht ik Armeense wijn, maar dat bleken ze niet te hebben. Alleen op bestelling. De reden daarvoor is dat Armenië blijkbaar meer bekend is voor brandy dan voor wijn. De wijnhandelaar heeft me trouwens ook verteld dat brandy eigenlijk een verzamelnaam is voor gedistilleerde wijn, zoals cognac. Maar cognac heeft zo’n, hoe heet dat, een naam waardoor bewezen wordt dat het product ook echt vanuit Cognac afkomstig is, zoals champagne. Daarna probeerde die verkoper trouwens om me nog een fles wijn uit Georgië aan te praten. Dat is het wijnland, zei hij. Niet Armenië. Ja mevrouw, vijfhonderd druivensoorten kweken ze daar. En die wijntraditie bestaat daar al zevenduizend jaar. Smaakvolle rode wijn, lang gerijpt in amforen, zei hij. Slechts drieëntwintig euro voor die fles.” Ik ratel. Filip knikt alleen maar en steekt zijn glas omhoog. Ik giet geconcentreerd, houd de fles met één hand bij de onderkant vast, zoals ik dat kelners heb zien doen. Wanneer de glazen ingeschonken zijn, stel ik Filip voor om te klinken. “Waarop?” vraagt hij. “Een afgerond doctoraat, lange reizen, veel levenservaring,” zeg ik. “En passie, want passie bij alle bezigheden is het belangrijkste in een mensenleven.” Hij haalt zijn schouders op, maar steekt zijn glas toch in de hoogte. Kijkt me strak aan en wacht tot ik mijn glas naderbij breng. Ik zeg hem dat hij tijdens het klinken in de ogen moet kijken. Ik neem een slok, laat de wijn in mijn mond walsen en slik moeizaam. Eigenlijk lust ik geen rode wijn, maar dat hoeft Filip niet te weten. Ik wijs hem op de envelop. “Ik heb een verrassing,” meld ik hem. Terwijl ik die woorden zeg, word ik me ineens bewust van mijn sterke hartklop. Zo hoort het te zijn. Ik neem de envelop vast en leg ze als fragiele vlindervleugels in zijn uitgestoken handen. Met zijn lange, knokige vingers scheurt hij het papier open. Ik kom naast hem staan en leg een hand op zijn schouder. In de envelop, vier bladzijden. Hij neemt ze eruit, plooit ze open en laat zijn ogen over de letters gaan. Ik buig me voorover en kijk met hem mee. Naar de barcodes en de namen. Zijn naam en mijn naam. Naar de data. Twee weken gaan we erop uit. Naar Armenië, Filip en ik. Ik kijk naar Filip, probeer zijn blik te duiden. Verrassing, neem ik aan. Hij zegt niets. Ik glimlach. Hij staat recht. Ik kijk recht in zijn ogen. Geruststellend en liefdevol. Buig me naar hem toe. Net voor mijn lippen de zijne raken, treft zijn vlakke hand me vol in het gezicht.

“Ben je niet blij?” vraag ik. Filip kijkt naar zijn hand, dan naar de vloer, dan naar mij. Hij doet me denken aan een wandelaar die plots oog in oog komt te staan met een beer in de Kaukasus. Daarover had ik deze namiddag gelezen. Beter is het om daarbij in de handen te klappen, om lawaai te maken. Maar ik ben geen roofdier. Filip zegt nog steeds niets. Hij draait zich om. Met grote passen wandelt hij de woonkamer uit. Ik hoor de achterdeur open en dicht gaan.
Ik ga opnieuw aan tafel zitten. Langzaam schep ik de chili con carne op mijn bord. Ook in het zijne. Filip zal terugkeren. Dat weet ik. Over een kwartiertje zal hij hier zijn. Hij zal blij zijn, dankbaar. Hij zal me zeggen dat de chili con carne lekker is. Want Filip weet dat ik, ook zonder Jean, in staat ben om eten te maken, om te zorgen, om lief te hebben.

Kort verhaal voor Babylons Interuniversitaire Literaire Prijs (2e plaats)
Foto: Todd Hido: 3878, from Interiors/Motels (2005). 
Photograph: Courtesy the artist