Hij keek naar haar handen, die gevouwen in haar schoot lagen. Van die handen had hij altijd gehouden. Het waren kleine handen, zacht en nooit klam, met korte vingers en nagels die tot enkele jaren geleden altijd oranje gelakt waren. Als ze verhalen vertelde, gesticuleerde ze steeds enthousiast met die handen, die hem deden denken aan vlinders. ‘Wil jij mijn nagels lakken?’ had ze gevraagd, toen het beven begon. Hij had zijn leesbril opgezet en haar handen op tafel gelegd, had het tipje van het borsteltje in het flesje gedopt en afgeveegd aan de randjes en dan, zoals hij het haar had zien doen, een streep in het midden van de nagel getrokken, om vervolgens, met het tipje van zijn tong uit zijn mond, de zijkanten te lakken. Hij had zich geschaamd toen hij ook de omliggende huid had gelakt, maar zij had het grappig gevonden en had hem laten zien hoe hij met een wattenstaafje en aceton de randjes kon schoonmaken.

‘Elsa,’ zei hij. Ze reageerde niet en bleef naar het jonge koppel twee verdiepingen lager staren, hij keek nog steeds naar haar handen. Ze waren niet aangetast door de rimpels, die diepe voren in haar voorhoofd en hals hadden getrokken. ‘Elsa,’ herhaalde hij. ‘Wat denk je momenteel?’ ‘Dorst. Dat ik een beetje dorst heb.’ Automatisch bukte hij zich om haar de krukken aan te reiken, die altijd tussen hen in lagen, keek dan toe hoe ze haar schriele polsen door de manchetten stak en haar handen op de zijleuningen plaatste. Haar spieren trilden zichtbaar toen ze zich omhoog probeerde te hijsen. Ze kwam niet hoger dan vijftien centimeter. ‘Je moet die beentjes van jou weer leren vertrouwen. En daarvoor moet je oefenen.’ Dat had de thuisverpleegster gezegd. Maar zijn imitaties met falsetstem brachten Elsa al lang niet meer aan het lachen. ‘Blijf maar zitten,’ zei hij. ‘Ik haal wel een glaasje’. Hij ging naar de keuken, opende de kraan, vulde haar beker en zette het tuitdeksel er terug op. Die ochtend had Sabrina hem nog gecomplimenteerd met zijn lenigheid. Ze was ongegeneerd de badkamer binnen gehobbeld om het oude verband weg te gooien toen hij zijn voeten stond te wassen en enkel nog een grauwe onderbroek aan had. ‘Maar Hubertje toch,’ had ze gezegd met die schetterende stem van haar, ‘jij kunt jouw voeten nog altijd in de wasbak wassen? Chapeau, hoor. Maar blijf voorzichtig. Binnenkort mag je al 82 kaarsjes uitblazen.’ Alsof hij dat zomaar kon vergeten.

Met de beker in zijn handen bleef hij even in de deuropening staan. De twee fauteuils stonden met hun brede ruggen naar hem toe. De voorkant was naar het raam gekeerd. Uitnodigend was het niet, maar bezoek kregen ze toch niet meer sinds Gudrun met haar tweede man naar Istanbul was verhuisd. Hij stapte op zijn vrouw af. Voor haar val droeg ze haar haren trots opgestoken, maar nu hing het als een gerafeld tapijt over de rugleuning van de zetel, die haar steeds meer leek op te slokken. Of ze hulp wou, vroeg hij niet – die wou ze nooit, hij boog zich gewoon voorover en bracht de beker naar haar lippen. Hij had het Sabrina genoeg zien doen. De beker eventjes schuin houden, haar de tijd geven om te slikken en dan opnieuw beginnen. Maar ze draaide haar hoofd weg. ‘Kijk,’ zei ze. ‘Dat lijkt Gudrun wel.’ Ze boog voorover en tikte met haar ongelakte nagel op het raam. Onrustig. ‘Die vrouw. Met de rode muts,’ zei ze. ‘Net Gudrun.’ Hij zweeg en overliep in gedachten nogmaals de planning voor de komende week.

Gisteren was hij naar het stadhuis gewandeld voor zijn internationale paspoort en deze morgen had hij de kleerkast al opgeruimd. Hij had Elsa’s jurken als pronkstukken uit een museum op bed uitgespreid en geprobeerd zich te herinneren welke ze het liefst droeg. De olijfgroene, had ze die gedragen op haar tachtigste verjaardag? Die gebloemde deed ze aan om naar de eucharistieviering te gaan, dat wist hij nog, want vorige maand had hij haar nog geholpen met de knoopjes, waar haar trillende vingers geen grip op kregen. Een voor een had hij de platte schijfjes door de ronde gaatjes gestoken en daarna had hij haar veters dichtgeknoopt. Ze had naar lavendel geroken. Die jurk had hij uitgekozen, en daarna nog drie andere, en hij had ze zo goed mogelijk opgevouwen en onder in de valies gelegd. Daarboven zes rokken en evenveel bijbehorende bloezen. Onderbroeken, daarvan had ze er maar twaalf. Op het notitieblokje dat hij steeds in zijn borstvakje droeg had hij het neergekrabbeld: negen onderbroeken kopen. En daaronder: pyjama’s strijken. In zijn eigen valies had hij van elk schap de bovenste vier exemplaren weggestoken. Als hij nog iets nodig had, kon hij dat ter plaatse kopen. Toen hij klaar was, ging hij op zijn knieën zitten en schoof hij de twee valiezen zo ver mogelijk onder het bed. In de kleerkast hingen nu enkel nog wat afgedragen ruitjeshemden en helemaal tegen de wand hing Elsa’s trouwjurk, 58 jaar geleden voorzichtig opgeborgen in een kledinghoes en sindsdien één keer uitgehaald om te laten zien aan Gudrun. Nu ritste hij de hoes opnieuw open. Hij streelde de kanten mouwen en voelde hoe de ritselende stof als zand door zijn vingers gleed.

‘Ik bedacht me net,’ zei hij. ‘dat we vorig jaar voor het eerst sinds we getrouwd zijn enkele nachten apart geslapen hebben. Toen jij in het ziekenhuis lag. Heb jij daar wel eens bij stilgestaan?’
‘Ze lijkt echt heel erg op Gudrun.’
’58 jaar lang elke dag samen. We gingen elke dag samen naar school. Ik om les te geven, jij om te koken. En je kon me ’s avonds perfect vertellen hoeveel rode kolen je fijngesneden had en hoeveel aardappelen je geschild had.’
‘Dezelfde lengte en dezelfde haarkleur,’ zei ze. ‘Zo zag ik er vroeger ook uit.’
‘Ik heb altijd bewondering gehad voor jouw zorgzaamheid. Als er een van mijn leerlingen buikpijn had, zond ik hem naar jou. Je wist altijd precies wat zeggen.’
‘Helemaal opnieuw beginnen. In een ander land.’
‘En in de vakanties maakten we lange wandelingen aan het strand, eerst met ons tweeën en dan met Gudrun. Jij bakte dan zandkoekjes met haar, die jullie samen met schelpjes versierden. Urenlang kon ze daarvoor kokkels en mesheften uitkiezen en dan kwam ze ons vragen welk schelpje we het mooiste vonden, want dat mocht bovenaan op haar gebakjes. Weet je dat nog? Ik zie haar nog trots lachen telkens als ze een wenteltrapje gevonden had. ’s Avonds raapte ze haar schatten bijeen en nam ze die in een emmertje mee naar huis. Ik vraag me af wat er met haar verzameling gebeurd is.’
‘Gudrun heeft haar hart gevolgd.’
‘Ja,’ zei hij uiteindelijk. ‘Zij heeft dat gedurfd.’

Er was een vlek op het plafond van de slaapkamer in de vorm van een zandloper. Als hij zijn hoofd een kwartslag draaide en zijn ogen tot spleetjes kneep, werd het een vlinder. Zandloper, vlinder, zandloper, vlinder. Hij luisterde naar Elsa’s onregelmatige ademhaling en bedacht voor de zoveelste keer hoe hij haar kon vertellen dat zijn aanvraag om haar twee maanden in kortverblijf te plaatsen goedgekeurd was. Op zijn nachtkastje lagen alle documenten klaar. Daarnaast zijn envelop met één vliegticket – enkele reis Istanbul.

*

Het verkeer op de Brusselse Ring zit muurvast. De taxichauffeur trommelt verveeld met zijn vingers op het stuur en gaapt ostentatief. ‘Wanneer gaat uw vlucht, meneer?’ – ‘drie uur zevenendertig.’ Alle vluchtgegevens kent hij uit het hoofd. Voor de zekerheid voelt hij nogmaals aan zijn borstzakje waar hij zijn reisdocumenten bewaart. Zijn portefeuille met 1500 Lira in zit in zijn linkerbroekzak. In zijn rechter zijn gsm. ‘We zullen om half twee aankomen. Dan bent u nog ruimschoots op tijd.’ Enkele uren eerder was Elsa opgehaald door een medewerker van het woonzorgcentrum. ‘Ik bel je vanavond,’ had hij gezegd zonder haar aan te kijken, ‘en we zien elkaar gauw terug.’ Hij loog en besefte dat ze dat allebei wisten.

De luchthaven is een mierenhoop, een onoverzichtelijk panorama van vertrekkende mensen. Er zijn reizigers die slechts de ruimte doorkruisen en zich van a naar b verplaatsen, uitgelaten studenten die hun vader geen kus geven in het openbaar, jonge koppels die naar het vliegschema staren en geagiteerd discussiëren. Het hele scala aan menselijke emoties passeert de revue, dezelfde gezichtsuitdrukkingen en gebaren die hij uit het raam van het appartement kon zien. Maar versneld afgespeeld. Hij haalt zijn gsm uit en ziet dat hij een sms van Gudrun ontvangen heeft. ‘Ik ben erg blij dat jullie komen,’ schrijft ze. ‘Ik verlang om jou en mama terug te zien. Tot straks.’ Hij steekt zijn telefoon terug weg en begint de zwerm reizigers te volgen, dieper de terminal in.

Afbeelding: Edward Hopper - Hotel By A Railroad