magritte_tentativedelimpossibleVooraleer ik begin, breek ik met een droge knak de wijzers van de staande klok af. Geen tijd, geen tijd. Ik moet me alleen op het schrijven concentreren. Ik stop ook met ademen.
Dan kies ik een pen uit, die met de fijne punt en het zeegroene omhulsel. Ik draai de dop eraf en schrijf een oog. Het puntje van mijn tong steekt tussen mijn lippen uit terwijl ik de lange wimpers schrijf en uit mijn koningsblauwe inkt vloeien kastanjebruine irissen. In amandelvormige ogen. Ik schrijf je wenkbrauwen en je kleine oorschelpen zonder lelletjes. Wanneer ik je neus neerkrabbel, nies je.
Met een rood hoofd registreer ik je boezem. In een priegelig handschrift noteer ik ook je tepeltjes en ik strijk er met mijn duim vluchtig overheen. Ik sla de bladzijde om en schrijf de viool van Ingres op je rug met nauwkeurige aantekeningen van pigment-vlekjes als f-vormige klankgaten. Omdat ik jouw ronde heupen nog niet durf schrijven, begin ik bij je vleugels, die ik met fijne pennenstreken aan je schouderbladen vastrijg. Ik schrijf dekveren en slagpennen, schud het verenkleed op en drapeer het voorzichtig rond jouw bovenlichaam. Het papier dat ik gebruik, heeft geen lijntjes, zodat jouw majestueuze – want dat zijn ze, majestueus, ik schreef het in de kantlijn – vleugels niet blijven haperen als je ze openklapt.

Ik sluit mijn ogen om jouw middel te schrijven en denk ondertussen aan namen, en aan de vrouwen die er eerder geweest zijn, aan de tientallen vrouwen zonder gelaat en zonder heupen die ik geschreven heb, aan het kind dat ik nog wil schrijven om mij te vergezellen, als ik even genoeg heb van de letters en naar buiten wil, als ik een wandeling wil maken of een spelletje wil spelen, als ik verwonderd wil zijn en mij wil laten verwonderen. Josefien. Joanna. Hoe heet je? Ik kijk terug naar het papier (het blijkt dat jouw heupen niet op gelijke hoogte staan). Josefien. Joanna. Ik schrijf beide namen op en tatoeëer ze aan de binnenzijde van je vleugels, zodat ik je altijd kan herkennen en je kan roepen bij jouw namen.

Dan schrijf ik twee enkels, twee voeten met aan elk ervan vijf tenen. Je spreidt je tenen uiteen, krult ze op, probeert ze elk afzonderlijk te bewegen, krult en strekt ze opnieuw, steeds opnieuw. Ik draai de bladzijde terug om en lees de verwondering in je ogen. Ik lees je ongeduld. Nog een laatste keer breng ik mijn pen naar het papier om zwarte haren te schrijven die ik wil opsteken zodat ik naar je ranke hals kan blijven kijken, maar nog vooraleer de top van mijn pen het blad raakt, ren jij hinkend weg.