Haruki Murakami is meer dan een schrijver, hij is een verhalenverteller. In elk boek wemelt het van de subverhalen. Elk personage draagt zijn eigen surrealistisch levensverhaal met zich mee, dat in lange monologen uitgesponnen wordt. Terwijl Toru Okada bijvoorbeeld op een missie vertrekt om zowel zijn kat als zijn vrouw terug te vinden, komt hij niet alleen in contact met de mysterieuze dames Kreta en Malta, maar ook met de luitenant Mamiya die intrigerende oorlogsverhalen opdisselt. In het leven van Tsukuru Tazaki duikt Haida plots op, wiens vader een jazzpianist ontmoette die de wereld kleurrijker zag door de dood met zich mee te dragen. Al deze subverhalen weerspiegelen, vervormen, vervullen en transformeren het verhaal van het in se verhaalloze hoofdpersonage. Dat hoofdpersonage kiest doorgaans niet voor zijn avonturen. Hij tuimelt erin. Of wordt gedwongen door ‘een vreemde vent’. Ze zijn apathisch. Ze gaan bier drinken aan de keukentafel, wanneer hun vrouw vermist is. Of ze kruipen in een diepe put en gaan daar zo’n honderd bladzijden lang zitten. Om te denken, of om de grenzen tussen werkelijkheid en droom af te tasten. De grenzen tussen droom en daad.

Diametraal daar tegenover staan de verhalen van Alice Munro, een scherpe observator van kleine levens. Als je De liefde van een goede vrouw leest, hebt je het gevoel dat je door een venster naar gewone mensen kijkt, in gewone huizen. De verhalen – zijn het nog wel verhalen? – van Alice Munro zijn fragmentair, ze tonen schetsen van het leven van vrouwen, goede vrouwen, zoals de titel zegt. Kleine handelingen, verfijnde details, daar zijn die verhalen rijk aan. Gezinssituaties worden getoond, en liefde, of het gebrek daaraan.

Beide auteurs tonen mogelijkheden, ze laten het spectrum zien waar verhalen zich kunnen afspelen. Nu maar eens mijn eigen personages uit hun kamer schoppen.

afbeelding: Magritte, condition humaine - 1933