Met zijn 851 bladzijden is ‘De opwindvogelkronieken’ het op één na dikste dat ik ooit gelezen heb (de eer van de allerdikste gaat naar ‘Lelieblank, scharlakenrood’). Al vanaf de allereerste bladzijde is dit boek classic Murakami: intrige, eenvoud, lichtheid, muziek en culinaire hoogstandjes.

Toen de telefoon ging, stond ik in de keuken voor een pan spaghetti, lekker meefluitend met de ouverture van Rossini’s Diefachtige ekster, wat volgens mij de ideale muziek is om spaghetti bij te koken. […]
‘Tien minuten, dat is alles wat ik wil,’ zei een vrouwenstem opeens. Nu heb ik een heel redelijk geheugen voor stemmen, al zeg ik het zelf, maar dit was er een die ik niet kende. ‘Neemt u me niet kwalijk,’ informeerde ik beleefde, ‘maar welk nummer belt u?’ – ‘Jouw nummer natuurlijk,’ zei de vrouw.

Murakami, De Opwindvogelkronieken, Amsterdam 2011. p. 13

opwindvogelkronieken 2Hop, je wordt het verhaal ingezogen en je bent amper 20 regels ver. Wie is die vrouw? Het is en blijft Murakami: een pasklaar antwoord hoef je niet te verwachten en zeker niet binnen de 700 bladzijden. Toch krijg je nooit het gevoel dat de verhaalelementen te ingewikkeld worden. En dat is de kunst: vanuit zo’n soberheid vertrekken en een spanningsboog 850 bladzijden lang gespannen te houden.

Maar Murakami is meer dan intrige. Het gaat ook om de taal, die je langzaam indrinkt. Naturel en loepzuiver.

Toen hield ik mijn adem in en spitste mijn oren. Ik probeerde de zachte stem te horen die er diende te zijn. En achter het geplons, achter de muziek, achter de lachende stemmen, ving ik een heel ver, geluidloos geluid op. Er riep iemand om iemand anders. Er verlangde iemand naar iemand anders. met een stem die geen stem was. Met woorden die geen woorden waren.

Murakami, De Opwindvogelkronieken, Amsterdam 2011. p. 474

Aan het eind van het werk is een nawoord van de auteur toegevoegd, waarin hij uitlegt hoe het werk tot stand gekomen is. Heel interessant! Murakami blijkt een heel spontaan schrijver.

Toen ik ermee begon, had ik er geen idee van hoe het verhaal van De Opwindvogelkronieken zich zou gaan ontwikkelen, en daar had ik ook niet zo diep over nagedacht. […]
Als ik aan een nieuw werk begin, wil ik daarin nieuwere karakters beschrijven, een nieuwer verhaal vertellen. Ik wil niet hetzelfde doen als tevoren. Om het eens extreem uit te drukken: ik wil de chaos van de wereld onversneden en in één teug opdrinken en dan zien of ik geen reusachtige ‘allesomvattende roman’ kan schrijven waarin ik een duidelijke manier aan de hand doe om uit die chaos iets wijzer te kunnen worden. Dit is de grote ambitie die ik als schrijver koester. Om die te bereiken, moet ik de huls van mijn eigen persoonlijkheid langzaam maar zeker afwerpen. De beperkingen die ik heb (als mens, als schrijver) moet ik langzaam maar zeker in die richting zien te verruimen.

Murakami, De Opwindvogelkronieken, Amsterdam 2011. p. 857,862

Zo kunnen schrijven, dáár ben ik jaloers op. (En tussen de veilige haakjes ben ik niet te beschaamd om toe te geven dat ik me sterk aangetrokken voel tot de personages die Murakami opvoert. En tot de geest daarachter. Excuses van de firma voor onprofessioneel leesgedrag.)